Digital City
News

People get more connected and technology becomes part of our daily life. Between 2014 and 2015 there was a 27% growth of internet traffic in Amsterdam. Eleven out of fifteen Trans-Atlantic data cables are connected with or go through Amsterdam and the AMS-IX is the second largest internet exchange point in the world. In 2016 Amsterdam was ranked second in the European Digital City Index. Do you work on a smarter city? Share your technologies here!

Pelle Menke, Communications and Programme officer Mobility at Amsterdam Smart City, posted

Data Dilemma's verslag: De Voedseltransitie

Featured image

Op 30 mei nodigden we onze community uit bij AMS Institute op het Marineterrein voor een Data Dilemma’s event over de Voedseltransitie. Het ging deze middag over technische dilemma’s rond data en de verduurzaming van voedselketens, en; wat is nou echt lokaal voedsel?
 
Data Commons: Een digitaal gemeenschapsgoed met een gezamenlijk doel
Jan Wester, directeur van Big Data Value Center, vertelde ons meer over het project ‘Data Value Center Agri & Food Korte Keten’. Aanleiding voor dit project is de transitie naar een duurzamer voedselsysteem waarbij digitalisering en data een belangrijke rol spelen. Er is de wens dat relatief meer voeding uit de regio komt (in plaats van langere ketens), dat er meer transparantie en efficiëntie is in ketensamenwerking en dat er meer informatie wordt vastgelegd over productie en herkomst (denk aan True Pricing). Dit vraagt om een neutraal precompetitief platform. Dit platform kan je zien als een zogenaamde Data Commons: een digitaal gemeenschapsgoed waarin je samen afspraken maakt over het delen van data; wat deel je, met wie, en wat is het gezamenlijke doel ermee?

De Agrifood Data Common is een veilige data-deel omgeving/marktplaats/dashboard, met verschillende gebruikersgroepen. Ondernemers kunnen hiermee bijvoorbeeld markten transparanter maken, ketensamenwerking verbeteren en meervoudige verdienmodellen creëren. Overheden kunnen gebruik maken van de omgeving voor meer evidence-based beleid en het monitoren van impact. Ten slotte kunnen kennisinstellingen gebruik maken van het platform voor de opbouw van referentiedata en het delen van data uit experimenten en fieldlabs. Belangrijk is dat de verschillende partijen vertrouwen met- en in elkaar opbouwen om dit samen te laten werken.
 
De cateringketen van de Hogeschool van Amsterdam als case
DVC Agri & Food is samen met partners cases aan het bouwen die het nut en belang van dit digitale gemeenschapsgoed in de praktijk tonen. Kees Willem Rademakers van de Hogeschool van Amsterdam vertelde ons meer over het ‘Food Governance 2.0’ project met betrekking op hun eigen cateringketen.

De HvA wilt zich actiever afvragen wat ze van (hun) voedsel vinden en hoe ze een nieuwe rol kunnen spelen in hun eigen lokale voedselsysteem. Ze kijken naar factoren als gezondheid, biodiversiteit, betaalbaarheid en energiegebruik. Als je hier kritisch naar wilt kijken blijkt hoe moeilijk het is om te onderzoeken waar kantineproducten precies vandaan komen. De precieze oorsprong, de reizen die het afgelegd heeft, de arbeidsomstandigheden; het zijn onderdelen waar je als afnemer grip op- of in ieder geval een beeld van wilt hebben. Er is nu een ongelijke machtsverdeling waarbij de leverancier meer data over de keten bezit en dit gebruikt als verdienmodel.

Binnen een keten die digitaal en transparant is georganiseerd, kan de HvA zien wat er nu gebeurt, kan er onderhandeld worden, en kunnen ze samen gaan hervormen waar ze naartoe willen. Het is belangrijk om daarom de governance structuren over voedselketens en de informatiestructuren daarbinnen opnieuw vorm te geven met elkaar. Jan Wester en Kees Willem Rademakers concluderen samen dat deze hervorming vooral zit in wederkerigheid en bereidheid om meer data met elkaar te delen, en de digitale platformen die dit mogelijk maken.

Flevo Campus: Samen werken aan het stedelijk voedselsysteem van de toekomst
Lenno Munnikes vertelde ons meer over lopende initiatieven bij de Flevo Campus. Een organisatie waar onderzoek, onderwijs, ondernemerschap en overheden samenkomen om samen te werken aan het stedelijke voedselsysteem van de toekomst. Hier verbinden ze economische, maatschappelijke en kennis-vraagstukken op het gebied van een duurzame voedseleconomie en een gezonde voedselomgeving.

In een project rond ‘de supermarkt van de toekomst’ zijn ze aan het experimenteren met het verbreden van het assortiment van lokale producten in de schappen. Als je een deel van een supermarkt bijvoorbeeld reserveert voor lokale ondernemers, ontstaat er al sneller een match tussen lokale consumenten en lokale producenten. Ook wordt er gekeken hoe je stadstuinderijen kan ontwikkelen met een mix van verschillende functies. Naast voedselzekerheid, kan zo’n plek ook een belangrijke educatiefunctie vervullen voor kinderen en jongeren in de buurt, kan er onderzoek plaatsvinden, kunnen er nieuwe verdienmodellen worden uitgeprobeerd, en kan de tuin gekoppeld worden aan een zorgcentrum in de buurt.

Ten slotte vertelde Lenno over hun projecten in de zogenaamde Labs. Hier experimenteren ze op kleine schaal om ons aan het denken te zetten over ons voedselsysteem. Een bekend voorbeeld is het hergebruiken van de ‘reststromen’ van de kip. Na slachting wordt zo’n 70% van het dier als reststroom verscheept naar andere continenten. Maar wat als je nou alles van de kip verwerkt? Hoe kan je omgaan met onderdelen van een dier dat je niet opeet? Met deze vragen gingen ze aan de slag en creëerden ze bijvoorbeeld een tasje van de huid, zeep van het vet en keramiek van de botten. Een experiment als dit kan op kleine schaal worden uitgevoerd, maar via nieuwskanalen veel mensen bereiken en aan het denken zetten over ons voedselsysteem.
 
Onderzoek naar de klimaatimpact van een voedselketen; van verantwoording naar nieuwsgierigheid
Leen Felix, adviseur Agrifood en Biodiversiteit bij Metabolic, nam ons mee in het proces waarmee ze bedrijven adviseert over de duurzaamheid van hun voedselketen. Het begint simpel, bij de ingrediëntenlijst van een product. In plaats van de locatie van de leverancier, moet je echt op zoek naar de productielocatie; het land van herkomst per ingrediënt. De impact van voedselproductie hangt namelijk af van de combinatie van het productieproces en de productielocatie. Maten van landgebruik, bodemtransformatie en uitstoot van broeikasgassen, bijvoorbeeld, hebben ieder een effect op de natuurlijke omgeving. De ruimtelijke context bepaald hoe schadelijk deze processen zijn voor de aarde en het klimaat. Je kan hierbij denken aan de volgende voorbeelden: Het verbouwen van soja, waarbij veel land voor nodig is, is schadelijker als er regenwoud in Brazilië voor wordt gekapt. Het transformeren en homogeniseren van de bodem is schadelijker voor het klimaat, als dit gebeurt op een plek waar voorheen een relatief hoge mate van biodiversiteit aanwezig is. Water-intensieve productieprocessen hebben meer impact op mens en natuur als het plaatsvind op locaties waar water schaars is.

Metabolic koppelt daarom ruimtelijke context aan productieprocessen. Via scores is te zien hoe de negatieve impact van productieprocessen nog sterker is in ‘gebieden met een gevoeligheid’. Dit legt de complexiteit vast waar je in mondiaal voedselsysteem mee te maken hebt. Hoe meer ingrediënten in een product, hoe meer productielocaties, hoe meer factoren die de klimaatimpact beïnvloeden. Het is voor Leen als analist en adviseur de balans zoeken tussen het weergeven van álle data en de complexiteit van de keten, en het adviseren met een platgeslagen verhaal waar de opdrachtgever soms naar op zoek is. Je wilt een bedrijf niet verlammen met de data, maar ze ook wel gericht handvatten geven om bijvoorbeeld risicolocaties en ingrediënten te vermijden.

Leen sluit af met een drietal lessen voor het publiek:
- Perfecte data bestaat niet, en dat is niet eens zo erg: focus op het verhaal wat je ermee kan en wilt overbrengen.
- Van verantwoording naar nieuwsgierigheid: Je kan dus niet 100% verantwoorden en berekenen, maar je moet wel een nieuwsgierige houding tonen over bijvoorbeeld alle bijkomende milieulasten en context risico’s.   
- Geen top 10 maar systeemdenken: Duurzaamheid als een simpel thema laten vallen, het is geen top 10 maar denk in systeem met contrasten, schaal, complexiteit, ruilfuncties. ‘One size fits all’ oplossingen werken niet.
 
Dank aan de sprekers voor hun verhalen en het publiek voor de levendige discussies na afloop. Wil je bij onze volgende Data Dilemma's zijn? De volgende editie van deze serie open events vindt plaats op 16 juli. Ook staan we altijd open voor nieuwe thema’s en onderwerpen voor deze serie; we zijn benieuwd wat voor data dilemma’s jij mee in aanraking komt bij je werk!

Pelle Menke's picture #DigitalCity
Herman van den Bosch, professor in management development , posted

Citizen's preferences and the 15-minutes city

Featured image

For decades, the behaviour of urban planners and politicians, but also of residents, has been determined by images of the ideal living environment, especially for those who can afford it. The single-family home, a private garden and the car in front of the door were more prominent parts of those images than living in an inclusive and complete neighbourhood. Nevertheless, such a neighbourhood, including a 'house from the 30s', is still sought after. Attempts to revive the idea of 'trese 'traditional' neighbourhoods' have been made in several places in the Netherlands by architects inspired by the principles of 'new urbanism' (see photo collage above). In these neighbourhoods, adding a variety of functions was and is one of the starting points. But whether residents of such a neighbourhood will indeed behave more 'locally' and leave their cars at home more often does not depend on a planning concept, but on long-term behavioural change.
An important question is what changes in the living environment residents themselves prefer. Principles for the (re)design of space that are in line with this have the greatest chance of being put into practice. It would be good to take stock of these preferences, confront (future) residents conflicting ideas en preconditions, for instance with regard to the necessary density. Below is a number of options, in line with commonly expressed preferences.

1. Playing space for children

Especially parents with children want more playing space for their children. For the youngest children directly near the house, for older children on larger playgrounds. A desire that is in easy reach in new neighbourhoods, but more difficult in older ones that are already full of cars. Some parents have long been happy with the possibility of occasionally turning a street into a play street. A careful inventory often reveals the existence of surprisingly many unused spaces. Furthermore, some widening of the pavements is almost always necessary, even if it costs parking space.  

2. Safety

High on the agenda of many parents are pedestrian and cycle paths that cross car routes unevenly. Such connections substantially widen children's radius. In existing neighbourhoods, this too remains daydreaming.  What can be done here is to reduce the speed of traffic, ban through traffic and make cars 'guests' in the remaining streets.  

3. Green

A green-blue infrastructure, penetrating deep into the immediate surroundings is not only desired by almost everyone, but also has many health benefits. The presence of (safe) water buffering (wadis and overflow ponds) extends children's play opportunities, but does take up space. In old housing estates, not much more is possible in this area than façade gardens on (widened) pavements and vegetation against walls.  

4. Limiting space for cars

Even in older neighbourhoods, opportunities to play safely and to create more green space are increased by closing (parts of) streets to cars. A pain point for some residents. One option for this is to make the middle part of a street car-free and design it as an attractive green residential area with play opportunities for children of different age groups. In new housing estates, much more is possible and it hurts to see how conventionally and car-centred these are often still laid out. (Paid) parking at the edge of the neighbourhood helps create a level playing field for car and public transport use.  

5. Public space and (shopping) facilities

Sometimes it is possible to turn an intersection, where for instance a café or one or more shops are already located, into a cosy little square. Neighbourhood shops tend to struggle. Many people are used to taking the car to a supermarket once a week to stock up on daily necessities for the whole week. However, some neighbourhoods are big enough for a supermarket. In some cities, where car ownership is no longer taken for granted, a viable range of shops can develop in such a square and along adjacent streets. Greater density also contributes to this.  

6. Mix of people and functions

A diverse range of housing types and forms is appreciated. Mixing residential and commercial properties can also contribute to the liveliness of a neighbourhood. For new housing estates, this is increasingly becoming a starting point. For business properties, accessibility remains an important precondition.  

7. Public transport

The desirability of good public transport is widely supported, but in practice many people still often choose the car, even if there are good connections. Good public transport benefits from the ease and speed with which other parts of the city can be reached. This usually requires more than one line. Free bus and tram lanes are an absolute prerequisite. In the (distant) future, autonomous shuttles could significantly lower the threshold for using public transport. Company car plus free petrol is the worst way to encourage sensible car use.  

8. Centres in plural

The presence of a city centre is less important for a medium-sized city, say the size of a 15-minute cycle zone, than the presence of a few smaller centres, each with its own charm, close to where people live. These can be neighbourhood (shopping) centres, where you are sure to meet acquaintances.  Some of these will also attract residents from other neighbourhoods, who walk or cycle to enjoy the wider range of amenities. The presence of attractive alternatives to the 'traditional' city centre will greatly reduce the need to travel long distances.
 
The above measures are not a roadmap for the development of a 15-minute city; rather, they are conditions for the growth of a liveable city in general.  In practice, its characteristics certainly correspond to what proponents envisage with a 15-minute city. The man behind the transformation of Paris into a 15-minute city, Carlos Moreno, has formulated a series of pointers based on all the practical examples to date, which can help citizens and administrators realise the merits of the 15-minute city in their own environments. This book will be available from mid-June 2024 and can be reserved HERE.
 
For now, this is the last of the hundreds of posts on education, organisation and environment I have published over the past decade. If I report again, it will be in response to special events and circumstances and developments, which I will certainly continue to follow. Meanwhile, I have started a new series of posts on music, an old love of mine. Check out the 'Expedition music' website at hermanvandenbosch.online. Versions in English of the posts on this website will be available at hermanvandenbosch.com.

Herman van den Bosch's picture #Citizens&Living
Pelle Menke, Communications and Programme officer Mobility at Amsterdam Smart City, posted

Samenwerken aan transitievraagstukken; wat is er nodig? - Opbrengsten van het Amsterdam Smart City partnerdiner 2024

Featured image

Als Amsterdam Smart City netwerk bijten we ons vast in complexe stedelijke transitievraagstukken. Ze zijn complex omdat doorbraken nodig zijn; van kleine doorbraakjes, tot grotere systeem doorbraken. Denk aan bewegingen rond; organisatie-overstijgend werken, domein-overstijgend werken, en van competitief naar coöperatief. Als netwerk zetten we samenwerkingsprojecten op waarin we gaandeweg ondervinden met wat voor barrières we te maken hebben en wat voor doorbraken er nodig zijn.

Tijdens ons jaarlijkse Partnerdiner op 2 april, hadden we het samen met eindverantwoordelijken van onze partnerorganisaties over de strategische dilemma’s die spelen bij transitievraagstukken. Als gespreksstarters gebruikten we onze lopende onderwerpen van 2024: De coöperatieve metropool, de ondergrond, de circulaire metropool en drijvende wijken. De gesprekken aan tafel gingen echter over wat er aan de basis staat van het werken aan transitievraagstukken. Zo ging het bijvoorbeeld over; het samenwerken aan visies en scenario’s, leiderschap, burgerlijke ongehoorzaamheid en de kracht van coöperaties. In dit artikel bespreek ik beknopt een aantal onderwerpen die onder de aandacht werden gebracht door onze gasten.

Belangen en visie organiseren
Bij een vraagstuk of onderwerp als de ondergrond, gaan we het al snel hebben over de data en de oplossingen. Dat is ‘te makkelijk’. Technisch gaat het allemaal wel kunnen, maar als we daar te snel beginnen met de oplossing lopen we over een aantal jaar weer vast. Het is belangrijk om eerst een stapje terug te doen en een gedeeld belang en gedeelde visie te organiseren.

Hoe je belanghebbenden verzamelt, en de methode om tot een gedeelde visie te komen, dat is wat meer aandacht verdient. Neem het ondergrond vraagstuk als voorbeeld. Op welke schaal organiseer je daarvoor de belanghebbenden? Aan de oppervlakte hebben we Gemeentelijke en Provinciale grenzen, maar in de ondergrond liggen netwerken van kabels en leidingen die op andere schaal zijn geïnstalleerd en hebben we te maken met bodemtypologieën met verschillende behoeften.

Samen voorstellen en voorspellen
Dat waar je naartoe wilt werken, dat moet van iedereen voelen. Het is belangrijk om een setting te creëren van gedeeld eigenaarschap, waarin iedereen zich ook gehoord voelt, en dat je voelt dat de mensen met wie je gaat samenwerken ook voor jouw belangen op zullen komen. Om samen tot een visie te komen, is het belangrijk om te werken aan scenario’s en die samen te doorleven. Je moet het dan niet alleen hebben over waar je heen wilt, maar ook uitwerken wat er gebeurt als je niets doet of als het helemaal verkeerd uitpakt.

De scenario’s zouden op waarden moeten rusten. Het beeld wat bij de scenario’s hoort is veranderlijk, maar de waarden niet. Samen ben je continu in samenspraak over wat de waarden betekenen voor het verhaal dat je creëert.

Leiderschap en een interdisciplinaire werkwijze
Transitievraagstukken en bovenstaande aanpakken verdienen een bepaald soort leiderschap. Zo zou een leidinggevende bijvoorbeeld een veranderlijke en faciliterende houding moeten tonen, en moet hij/zij vanuit waarden werken die inspireren en verbinden. Het zou meer moeten gaan over het faciliteren van doeners, het stimuleren van doelgericht samenwerken in plaats van taakgericht en ruimte bieden voor menszijn en persoonlijke expertises. Met dit laatste wordt verwezen naar een stukje burgerlijke ongehoorzaamheid. Om dingen die we belangrijk vinden in gang te zetten moeten we soms even los kunnen denken van onze organisatiestructuren en functies. We zouden wel wat vaker mogen appelleren aan ons menszijn.

Meer faciliteren en minder hiërarchie helpt ons om beleid en praktijk dichter bij elkaar te brengen, en om van competitief naar meer coöperatief te bewegen. Als je naar de uitvoering gaat mag de kracht verplaatsen naar de uitvoerders. De machtsverschuivingen tussen leidinggevenden en de doeners, met specifieke rollen en expertises, mag in een constante wisselwerking rond gaan.

Ook interdisciplinair samenwerken aan transitievraagstukken zal nog meer moeten worden gestimuleerd, en misschien wel de norm moeten worden. Bij overheden en bestuurders bijvoorbeeld, zijn transitie thema’s verdeeld over domeinen als energie, mobiliteit, etc. maar de vraagstukken zelf zijn domein overstijgend. Als voorwaarde zou je kunnen stellen dat je altijd twee transities aan elkaar moet koppelen. We zouden meer inspirerende voorbeelden moeten laten zien waarbij verschillende domeinen en transities aan elkaar worden gekoppeld, door bijvoorbeeld overheden.

Publiek-privaat-civiel
Publieke, private en civiele partijen zouden nog meer naast elkaar aan tafel mogen, in plaats van tegenover elkaar. Bedrijven kunnen verzuild zijn, of zich zo voelen, en zouden nog meer om zich heen kunnen kijken en samenwerken. Niet alleen met overheden, maar ook met civiele organisaties. Er zijn vaak meer gezamenlijke belangen dan we denken.

In een beweging naar niet-competitief samenwerken kunnen coöperaties een belangrijke factor zijn. Wanneer je meer autoriteit bij coöperaties neerlegt, weet je zeker dat er in de basis voor een wijk, een stad, haar inwoners, een publiek belang wordt gewerkt. Er liggen dan ook veel kansen bij een faciliterende houding vanuit de overheid naar coöperaties toe, en in de samenwerking tussen bedrijven en coöperaties.
 
Er zijn tijdens dit diner veel onderwerpen aan bod gekomen waar we met het netwerk mee aan de slag kunnen in onze programmering. De input wordt gebruikt voor onze lopende vraagstukken en we gaan de komende tijd in gesprek met partners om te kijken of we van start kunnen met verdiepende sessies of het ontwikkelen van methoden op (enkele van) deze onderwerpen.
<em>Wil je doorpraten over deze onderwerpen, met ons - of een van onze partners? Mailen kan naar pelle@amsterdamsmartcity.com*</em>

Pelle Menke's picture #CircularCity
Herman van den Bosch, professor in management development , posted

Will the 15-minute city cause the US suburbs to disappear? 6/7

Featured image

Urbanisation in the US is undergoing major changes. The image of a central city surrounded by sprawling suburbs therefore needs to be updated. The question is what place does the 15-minute city have in it? That is what this somewhat longer post is about
 
From the 1950s, residents of US cities began moving en masse to the suburbs. A detached house in the green came within reach for the middle and upper classes, and the car made it possible to commute daily to factories and offices. These were initially still located in and around the cities. The government stimulated this development by investing billions in the road network.
From the 1980s, offices also started to move away from the big cities. They moved to attractive locations, often near motorway junctions. Sometimes large shopping and entertainment centres also settled there, and flats were built on a small scale for supporting staff. Garreau called such cities 'edge cities'.
Investors built new suburbs called 'urban villages' in the vicinity of the new office locations, significantly reducing the distance to the offices. This did not reduce congestion on congested highways.
 
However, more and more younger workers had no desire to live in suburbs. The progressive board of Arlington, near Washington DC, took the decision in the 1980s to develop a total of seven walkable, inclusive, attractive and densely built-up cores in circles of up to 800 metres around metro stations. In each was a wide range of employment, flats, shops and other amenities . In the process, the Rosslyn-Balston Corridor emerged and experienced rapid growth. The population of the seven cores now stands at 71,000 out of a total of 136,000 jobs. 36% of all residents use the metro or bus for commuting, which is unprecedentedly high for the US. The Rosslyn-Balston Corridor is a model for many other medium-sized cities in the US, such as New Rochelle near new York.
 
Moreover, to meet the desire to live within walking distance of all daily amenities, there is a strong movement to also regenerate the suburbs themselves. This is done by building new centres in the suburbs and densifying part of the suburbs.
The new centres have a wide range of flats, shopping facilities, restaurants and entertainment centres.  Dublin Bridge Park, 30 minutes from Columbus (Ohio) is one of many examples.
It is a walkable residential and commercial area and an easily accessible centre for residents from the surrounding suburbs. It is located on the site of a former mall.
 
Densification of the suburbs is necessary because of the high demand for (affordable) housing, but also to create sufficient support for the new centres.
Space is plentiful. In the suburbs, there are thousands of (semi-)detached houses that are too large for the mostly older couples who occupy them. An obvious solution is to split the houses, make them energy-positive and turn them into two or three starter homes. There are many examples how this can be done in a way that does not affect the identity of the suburbs (image).
New construction in suburbs
 
This kind of solution is difficult to realise because the municipal authorities concerned are bound by decades-old zoning plans, which prescribe in detail what can be built somewhere. Some of the residents fiercely oppose changing the laws. Especially in California, the NIMBYs (not in my backyard) and the YIMBYs (yes in my backyard) have a stranglehold on each other and housing construction is completely stalled.
 
But even without changing zoning laws, there are incremental changes.  Here and there, for instance, garages, usually intended for two or three cars, are being converted into 'assessor flats' for grandma and grandpa or for children who cannot buy a house of their own.  But garden houses are also being added and souterrains constructed. Along the path of gradualness, this adds thousands of housing units, without causing much fuss.
 
It is also worth noting that small, sometimes sleepy towns seem to be at the beginning of a period of boom.  They are particularly popular with millennials. These towns are eminently 'walkable' , the houses are not expensive and there is a wide range of amenities. The distance to the city is long, but you can work well from home and that is increasingly the pattern. The pandemic and the homeworking it has initiated has greatly increased the popularity of this kind of residential location.
 
All in all, urbanisation in the US can be typified by the creation of giant metropolitan areas, across old municipal boundaries. These areas are a conglomeration of new cities, rivalling the old mostly shrinking and poverty-stricken cities in terms of amenities, and where much of employment is in offices and laboratories. In between are the suburbs, with a growing variety of housing. The aim is to create higher densities around railway stations. Besides the older suburbs, 'urban villages' have emerged in attractive locations. More and more suburbs are getting their own walkable centres, with a wide range of flats and facilities. Green space has been severely restricted by these developments.
 
According to Christopher Leinberger, professor of real estate and urban analysis at George Washington University, there is no doubt that in the US, walkable, attractive cores with a mixed population and a varied housing supply following the example of the Rosslyn-Ballston corridor are the future. In addition, walkable car-free neighbourhoods, with attractive housing and ample amenities are in high demand in the US. Some of the 'urban villages' are developing as such.  The objection is that these are 'walkable islands', rising in an environment that is anything but walkable. So residents always have one or two cars in the car park for when they leave the neighbourhood, as good metro or train connections are scarce. Nor are these kinds of neighbourhoods paragons of a mixed population; rents tend to be well above the already unaffordable average.
 
The answer of the question in the header therefore is: locally and slowly

Herman van den Bosch's picture #Citizens&Living
Rihards Dzelme, Inclusive Cities & AI / Trained Architect and Urbanist , posted

😀Resultaten - Is betrokkenheid van de gemeenschap de moeite waard? 😀

Featured image

We hebben uiteenlopende en interessante reacties ontvangen van stedenbouwkundigen, architecten en gemeenten. Als u wilt weten wat andere professionals denken, vul dan deze enquête in met uw e-mailadres en wij delen de inzichten met u.

Bedankt! 😀

Follow Playground on LinkedIn

We've received varied and interesting responses from urban developers, architects, and municipalities. If you want to know what other professionals think, please fill out this survey with your email, and we will share the insights with you.

Thank you! 😀

Rihards Dzelme's picture #DigitalCity
Herman van den Bosch, professor in management development , posted

The global distribution of the 15-minute city idea 5/7

Featured image

A previous post made it clear that a 15-minute city ideally consists of a 5-minute walking zone, a 15-minute walking zone, also a 5-minute cycling zone and a the 15-minute cycling zone. These three types of neighbourhoods and districts should be developed in conjunction, with employment accessibility also playing an important role.
 
In the plans for 15-minute cities in many places around the world, these types of zones intertwine, and often it is not even clear which type of zone is meant.  In Paris too, I miss clear choices in this regard.
 
The city of Melbourne aims to give a local lifestyle a dominant place among all residents. Therefore, everyone should live within at most 10 minutes' walking distance to and from all daily amenities.  For this reason, it is referred to as a 20-minute city, whereas in most examples of a 15-minute city, such as Paris, it is only about <strong>the round trip</strong>. The policy in Melbourne has received strong support from the health sector, which highlights the negative effects of traffic and air pollution.
 
In Vancouver, there is talk of a 5-minute city. The idea is for neighbourhoods to become more distinct parts of the city. Each neighbourhood should have several locally owned shops as well as public facilities such as parks, schools, community centres, childcare and libraries. High on the agenda is the push for greater diversity of residents and housing types. Especially in inner-city neighbourhoods, this is accompanied by high densities and high-rise buildings. Confronting this idea with reality yields a pattern of about 120 such geographical units (see map above).
 
Many other cities picked up the idea of the 15-minute city.  Among them: Barcelona, London, Milan, Ottawa, Detroit and Portland. The organisation of world cities C40 (now consisting of 96 cities) elevated the idea to the main policy goal in the post-Covid period.
 
All these cities advocate a reversal of mainstream urbanisation policies. In recent decades, many billions have been invested in building roads with the aim of improving accessibility. This means increasing the distance you can travel in a given time. As a result, facilities were scaled up and concentrated in increasingly distant places. This in turn led to increased congestion that negated improvements in accessibility. The response was further expansion of the road network.  This phenomenon is known as the 'mobility trap' or the Marchetti constant.
 
Instead of increasing accessibility, the 15-minute city aims to expand the number of urban functions you can access within a certain amount of time. This includes employment opportunities. The possibility of working from home has reduced the relevance of the distance between home and workplace. In contrast, the importance of a pleasant living environment has increased. A modified version of the 15-minute city, the 'walkable city' then throws high hopes. That, among other things, is the subject of my next post.

Herman van den Bosch's picture #Citizens&Living
Herman van den Bosch, professor in management development , posted

The '15-minute principle' also applies to rural areas (4/7)

Featured image

Due to a long stay in the hospital, I was unable to post my columns. I also cannot guarantee their continuity in the near future, but I will do my best... 

In my previous post, I emphasised that urban densification should be coordinated with other claims on space. These are: expanding blue-green infrastructure and the desire to combine living and working. I am also thinking of urban horticulture. It is therefore unlikely that all the necessary housing in the Netherlands - mentioned is a number of one million housing units - can be realised in the existing built-up area. Expansion into rural areas is then inevitable and makes it possible to improve the quality of these rural areas. Densification of the many villages and small towns in our country enable to approach them from the '15-minute principle' as well. Villages should thereby become large enough to support at least a small supermarket, primary school and health centre, but also to accommodate small businesses. A fast and frequent public transport-connection to a city, to other villages and to a railway station in the vicinity is important.
 
A thorny issue is the quality of nature in the rural area. Unfortunately, it is in bad shape. A considerable part of the rural area consists of grass plots with large-scale agro-industrial use and arable land on which cattle feed is grown. Half of the Netherlands is for cows, which, incidentally, are mostly in stalls. Restoring nature in the area that is predominantly characterised by large-scale livestock farming, is an essential task for the coming decades.
 
The development of sufficiently dense built-up areas both in cities and villages and the development of new nature around and within those cities and villages is a beckoning prospect. This can be done by applying the idea of 'scheggen' in and around medium-sized and large cities. These are green zones that penetrate deep into the urban area. New residential and work locations can then join the already built-up area, preferably along existing railway lines and (fast) bus connections. These neighbourhoods can be built in their entirety with movement on foot and by bicycle as a starting point. The centre is a small densely built-up central part, where the desired amenities can be found.
 
In terms of nature development, depending on the possibilities of the soil, I am thinking of the development of forest and heath areas and lush grasslands, combined with extensive livestock farming, small-scale cultivation of agricultural and horticultural products for the benefit of nearby city, water features with a sponge function with partly recreational use, and a network of footpaths and cycle paths. Picture above: nature development and stream restoration (Photo: Bob Luijks) 

Below you can link to my free downloadable e-book: 25 Building blocks to create better streets, neighborhoods and cities

Herman van den Bosch's picture #Citizens&Living
Amsterdam Economic Board, posted

Amsterdamse ziekenhuizen gaan data delen

Featured image

Amsterdam UMC, OLVG en het Antoni van Leeuwenhoek (AVL) gaan elkaars medische data gepseudonimiseerd hergebruiken in Health Data Space Amsterdam.

HDSA is een geheel nieuwe, regionale zorgdata-infrastructuur. Deze ondersteunt patiëntenzorg en medisch wetenschappelijk onderzoek naar gezondheid en preventie. Met als doel: gezondheidsverschillen in de regio te verkleinen en de gezondheidszorg toegankelijk te houden.

Het initiatief van de drie Amsterdamse ziekenhuizen komt voort uit een bredere samenwerking met de Universiteit van Amsterdam, Vrije Universiteit Amsterdam, Gemeente Amsterdam, Amsterdam Economic Board en Philips. Verder trekken de ziekenhuizen nauw op met Amsterdam AI, het Amsterdamse samenwerkingsverband voor kunstmatige intelligentie, en Health-RI, dat zich inzet voor een landelijke geïntegreerde gezondheidsdata-infrastructuur voor onderzoek, beleid en innovatie.

HDSA faciliteert met deze betere en snellere uitwisseling van zorgdata wetenschappelijk onderzoek naar gezondheid, beter medisch inzicht in hoe mensen langdurig gezond kunnen blijven, gepersonaliseerde preventie en behandeling van ziekten. De samenwerking is een eerste stap in de aansluiting op (een nog te bouwen) nationale infrastructuur vanuit het Integraal Zorgakkoord (IZA) en een Europese samenwerking via het European Health Data Space (EHDS).

Lees het complete bericht via

Amsterdam Economic Board's picture #DigitalCity
Rihards Dzelme, Inclusive Cities & AI / Trained Architect and Urbanist , posted

Community Engagement & AI: Free few-click participation framework based on data and science.🎈

Featured image

Happy Thursday, all 🎈

👯While Playground 🛝 is busy building the product, we actively talk with architects, developers, and governments. One topic that keeps surfacing is that there isn’t a clear and simple framework for starting community engagement and even convincing internal stakeholders to embark on this adventure without knowing the associated costs and best practices.

For that reason, we are releasing the Playground Framework 🪄. With five simple clicks, you can generate an actionable strategy to help you navigate the complexities of making our cities more inclusive.

✨Play with the framework and share your thoughts with us. Link to public demo video 🔗

💌<strong>Our inbox is open;</strong> let’s build the future of our cities together. 🏙️🍃

Rihards Dzelme's picture #DigitalCity
Susanna Stroer, Communication , posted

Nomineer jouw AI-toepassing voor de Dutch Applied AI Award

Featured image

Heb of ken jij een vernieuwend initiatief op het gebied van toegepaste Artificiële Intelligentie? Nomineer deze toepassing dan voor de Dutch Applied AI Award!

Het is dit jaar voor de vijfde keer dat deze juryprijs tijdens de jaarlijkse Computable Awards wordt uitgereikt. Sinds 2020 beloont het Centre of Expertise Applied AI van de Hogeschool van Amsterdam samen met ICT-platform Computable en podcast De Dataloog een innovatieve AI-toepassing.

Daarbij beoordeelt de jury - bestaande uit vijf experts op het gebied van Applied AI - alle inzendingen op drie criteria:

  • Applied AI - in hoeverre is de oplossing al geïmplementeerd, wordt het gebruikt door de beoogde doelgroep en hoe groot is het aantal (potentiële) klanten/het aantal mensen dat met deze innovatie direct of indirect wordt geholpen.
  • Uniekheid - in hoeverre is de innovatie de enige in haar soort, is het nooit eerder op de markt gebracht en kan het doel van de innovatie niet op een andere manier worden behaald.
  • Responsible AI (transparantie, privacy, fairness, etc.) - in hoeverre is het ontworpen of gebruikte AI-algoritme transparant. Stelt het de gebruiker in staat om verantwoording af te leggen en duidelijk te zijn over de factoren die de algoritmische beslissingen beïnvloeden.

Je kunt een initiatief tot maandag 1 juli voordragen via deze link .

Uit alle inzendingen maakt de jury een top 3. De top 3 wordt op dinsdag 12 november uitgenodigd op de Hogeschool van Amsterdam om zijn innovatieve AI-toepassing te pitchen. De winnaar wordt op donderdag 28 november verkozen tijdens de uitreiking van de Computable Awards in de Jaarbeurs Utrecht.

Meer informatie 

Eerdere winnaars:

#DigitalCity
Susanna Stroer, Communication , posted

Impact Magazine over AI

Featured image

De Hogeschool van Amsterdam (HvA) heeft de derde editie van het Impact Magazine uitgebracht, waarin het Centre of Expertise Applied AI centraal staat. In deze editie draait het om AI en digitalisering, en gaat het magazine dieper in op wat de razendsnelle ontwikkeling van deze technologie voor onze maatschappij kan betekenen.
 
Daarnaast zoomt het Impact Magazine in op de verantwoorde ontwikkeling van AI en geeft het impactmakers een podium. Zo spreken Ivar Timmer (onderzoekscoördinator van het Legal Tech Lab, HvA) en Wilco Verdoold (docent-onderzoeker bij de opleiding Commerciële Economie, HvA) over het nieuwe AI-landschap waar studenten, docenten en beroepsprofessionals doorheen moeten navigeren. Maar hoe doe je dat en welke middelen kun je hiervoor inzetten?
 
Ook geeft het Impact Magazine lezers een diepgaande kijk op de snel veranderende en complexe wereld van generatieve AI. Hoe maak je studenten bijvoorbeeld AI-ready en voorkom je dat ze na hun afstuderen weer terug de schoolbanken in moeten? Lees deze editie hier

#DigitalCity
Herman van den Bosch, professor in management development , posted

How do higher density and better quality of life go together? 3/7

Featured image

A certain degree of compactness is essential for the viability of 15-minute cities.  This is due to the need for an economic threshold for facilities accessible by walking or cycling. A summary of 300 research projects by the OECD shows that compactness increases the efficiency of public services in all respects. But it also reveals disadvantages in terms of health and well-being due to pollution, traffic, and noise. The assumption is that there is an optimal density at which both pleasant living and the presence of everyday facilities - including schools - can be realised.  At this point, 'densification' is not at the expense of quality of life but contributes to it.  A lower density results in more car use and a higher density will reduce living and green space and the opportunity to create jobs.

The image above is a sketch of the 'Plan Papenvest' in Brussels. The density, 300 dwellings on an area of 1.13 hectares, is ten times that of an average neighbourhood. Urban planners often mention that the density of Dutch cities is much lower than in Paris and Barcelona, for example. Yet it is precisely in these cities that traffic is one of the main causes of air pollution, stress, and health problems. The benefits of compactness combined with a high quality of life can only be realised if the nuisances associated with increasing density are limited. This uncompromisingly means limiting car ownership and use.

Urban planners often seem to argue the other way round. They argue that building in the green areas around cities must be prevented at all costs to protect nature and that there is still enough space for building in the cities. The validity of this view is limited. In the first place, the scarce open space within cities can be better used for clean workshops and nature development in combination with water control. Secondly, much of the 'green' space outside cities is not valuable nature at all. Most of it is used to produce feed for livestock, especially cows. Using a few per cent of this space for housing does not harm nature at all. This housing must be concentrated near public transport. The worst idea is to add a road to the outskirts of every town and village. This will undoubtedly increase the use of cars.
 
Below you can link to my free downloadable e-book: 25 Building blocks to create better streets, neighborhoods and cities

Herman van den Bosch's picture #Mobility
Sophie van der Ploeg, Community Manager & Program Lead Digital at Amsterdam Smart City, posted

Demoday #22: Data Commons Collective

Featured image

In the big tech-dominated era, data has been commercially exploited for so long that it is now hard to imagine that data sharing might also benefit the community. Yet that is what a collective of businesses, governments, social institutions and residents in Amsterdam aim to do. Sharing more data to better care for the city. On behalf of the Data Commons Collective, Lia Hsu (Strategic Advisor at Amsterdam Economic Board) asked the Amsterdam Smart City network for input and feedback on their Data Commons initiative on the last Demoday of 2023.

What is a (data) common?

Commons are natural resources that are accessible to everyone within a community. Water. Fertile soil. Clean air. Actually everything the earth has given us. We as humanity have increasingly begun to exploit these commons in our pursuit of power and profit maximisation. As a result, we risk exhausting them.

Data is a new, digital resource: a valuable commodity that can be used to improve products and services. Data can thus also be used for the common good. However there are two important differences between a common and a data common: data in commons never runs out, and data in commons is not tied to any geographical location or sociocultural groups.

Four principles for Data Commons

The Data Commons collective is currently working on different applied use cases to understand how data commons can help with concrete solutions to pressing societal problems in the areas of energy, green urban development, mobility, health and culture. Each data commons serves a different purpose and requires a different implementation, but there are four principles that are always the same:

  1. The data common is used to serve a public or community purpose
  2. The data common requires cooperation between different parties, such as individuals, companies or public institutions
  3. The data common is managed according to principles that are acceptable to users and that define who may access the data commons under what conditions, in what ways they may be used, for what purpose, what is meant by data misuse
  4. The data common is embedded to manage data quality, but also to monitor compliance with the principles and ensure that data misuse is also noticed and that an appropriate response (such as a reprimand, penalty or fine) follows.

The Data Commons Collective is now in the process of developing a framework, which provides a self-assessment tool to guide the formation of Data Commons initiatives by triggering consideration of relevant aspects for creating a data commons. It is a means of reflection, rather than prescription, to encourage sustainable and responsible data initiatives.

Energy Data Commons case and Value Workshop by Waag

After the introduction to the Data Commons Collective and Framework by Simone van der Burg (Waag) and Roos de Jong (Deloitte), the participants engaged in a value workshop led by Simone. The case we worked with: we’re dealing with a shortage of affordable and clean energy. Congestion issues are only expected to get worse, due to increased energy use by households en businesses. An energy Data Commons in neighbourhoods can have certain benefits. Such as preventing congestion issues, using clean energy sources more effectively, becoming self-sufficient as a neighbourhood and reducing costs. But under what circumstances would we want to share our energy data with our neighbours? What are the values that we find important when it comes to sharing our energy data?

Card Deck

Results: Which values are important when sharing our energy data?

In smaller groups, the participants discussed which values they found important for an energy data common using a value card deck from Waag. Some values that were mentioned were:

  • Trustworthiness: It is important to trust one another when sharing our energy data. It helps when we assume that everyone that is part of the common has the right intentions.
  • Fun: The energy Data Commons should be fun and positive! The participants discussed gamification and rewards as part of the common.
  • Knowledge: One of the goals of sharing data with each other is to gain more knowledge about energy consumption and saving.
  • Justice and solidarity: If everyone in the common feels safe and acknowledged, it will benefit the outcome. Everyone in the common should be treated equally.
  • Inclusion and Community-feeling: It is important that people feel involved in the project. The Data Commons should improve our lives, make it more sustainable but also progress our social relations.

During this Demoday, we got to know the Data Commons collective and experienced which values we find important when sharing our data with others. Amsterdam Economic Board will remain involved in the Data Commons Collective in a coordinating role and work on use cases to understand how data commons can work for society.

Would you like to know more about the Data Commons Collective or do you have any input for them? Please feel free to reach out to me via sophie@amsterdamsmartcity.com or leave a comment below.

Sophie van der Ploeg's picture #DigitalCity
Amsterdam Smart City, Connector of opportunities at Amsterdam Smart City, posted

Recap of Demoday #22

Featured image

On Thursday December 14th, Amsterdam Smart City partners concluded 2023 with an afternoon full of inspiration, exchange and connections at our 22nd Demoday! Our partner Deloitte welcomed our network in The Garage, where their ‘Deloitte Studios’ department is located. In this article, we’ll give you a quick overview of the Knowledge Session, Work Sessions and Pitches. Interesting in learning more? Read the full reports by our Programme Managers Noor, Pelle and Sophie (linked below).

About our Demodays

The Demodays are one of the tools we use to stimulate innovation and encourage connection between our partners and community. The purpose of the Demodays is to present the progress of various innovation projects, ask for help, share dilemmas and involve more partners to take these projects to the next level. More information about the Demodays can be found here.

Knowledge Session: Change in the here and now, with Theory U

To kick-off our final Demoday of 2023, our brand-new partner Hieroo led an inspiring knowledge session about the change method they use for social innovation in the city: Theory U. Dorien Schneider and Maartje Krijnen taught us more about this methodology and how it can help us solve complex problems by shifting from ego to eco-thinking. Read the full report here.

Work sessions

After the plenary Knowledge Session we split up in different worksessions, each exploring regional innovation challenges. As always, we had set up the sessions’ topics and moderation in collaboration with our partners.

Mobility | Decision-making along the principles of Inclusive Prosperity – Jurhan Kwee (Municipality of Amsterdam)
In The Netherlands, the concept of ‘Inclusive Prosperity’ is on the rise. Policy makers are busy defining this concept, figuring out how to put this concept into practice and what it means for their decision-making process. Together with his colleagues at the Municipality of Amsterdam, Yurhan Kwee hosts sessions on decision-making along the principles of Inclusive Prosperity. With the input he gathers, he hopes to make the decisions needed for our Inclusive Prosperity ambitions more understandable and transparent, both for Amsterdam’s administrators and councillors as well as its citizens. Read Pelle’s recap article here.

Digital | Data Commons Collective: Using data for a liveable city – Lia Hsu (Amsterdam Economic Board) and Simone van der Burg (Waag)
In the big tech-dominated era, data has been commercially exploited for so long that it is now hard to imagine that data sharing might also benefit the community. Yet that is what a collective of businesses, governments, social institutions and residents in Amsterdam aim to do. Sharing more data to better care for the city. On behalf of the Data Commons Collective, Lia Hsu (Strategic Advisor at Amsterdam Economic Board) asked the Amsterdam Smart City network for input and feedback on their Data Commons initiative. Read Sophie's recap article here.

Energy | How can we continue to facilitate the homeowner in driving the energy transition? | Wouter van Rooijen (Alliander)
Wouter van Rooijen (Alliander) discussed the challenges related to grid congestion. From 2030 onwards, it is expected that a significant portion of the low-voltage network will experience both over- and under-voltage. While the network will be reinforced as quickly as possible, the lack of labour capacity is also prompting the consideration of alternative solutions.

The solution that emerged from Wouter's co-creation process was WijkWise. In this work session, Wouter aimed to validate the WijkWise concept and find parties that could contribute to its development and market implementation. Dave van Loon from Kennisland moderated the session. Read Noor’s recap article here.

Circular | Navigating eco-emotions: The impact of working in sustainability on your mental wellbeing| Marian Zandbergen (Hogeschool van Amsterdam)
This work session, led by Marian Zandbergen (CIRCOLLAB, HvA) and moderated by Mareille de Bloois (Royal HaskoningDHV), explored the challenges and opportunities associated with eco-emotions, both personally and within organizations. The key question addressed was: How can individuals and organisations constructively manage eco-emotions, and what implications does this have for organisations? Read Noor’s recap article here.

Pitches

To end this festive afternoon and the year 2023 as a whole, we invited project owners and -members to present their progress and next steps on topics brought in during our events and deep-dives throughout 2023. The following projects were presented. You can read more about these topics on their dedicated articles and project pages, linked below.

Local Energy Systems: Where we started, what we have achieved, and what are the next steps – Omar Shafqat (University of Applied Sciences Amsterdam)

Connecting the resource- and energy transition – Edwin Oskam (MRA)

ChatGPT and the government: Possibilities and impact on our work – Jeroen Silvis (Province of North Holland)

Floating urban districts: Future-proof living in the Metropolitan Region – Joke Dufourmont (AMS Institute)

Mobility Justice: Raising the topic of Mobility Poverty and the working group’s progress – Bas Gerbrandy (Province of North Holland)

Our next Demoday will take place in April. Do you have an inspiring story or project you want to pitch to the Amsterdam Smart City network? Let us know via sophie@amsterdamsmartcity.com

Amsterdam Smart City's picture #DigitalCity
Herman van den Bosch, professor in management development , posted

The 15-minute city: from metaphor to planning concept (2/7)

Featured image

Carlos Moreno, a professor at the Sorbonne University, helped Mayor Anne Hidalgo develop the idea of the 15-minute city. He said that six things made people happy: living, working, amenities, education, wellbeing, and recreation. The quality of the urban environment is enhanced when these functions are realized near each other. The monofunctional expansion of cities in the US, but also in the bidonvilles of Paris, is a thorn in his side, partly because this justifies owning a car.
 
A more precise definition of the concept of the 15-minute city is needed before it can be implemented on a large scale. It is important to clarify which means of transport must be available to reach certain facilities in a given number of minutes. The list of facilities is usually very comprehensive, while the list of means of transport is usually only vaguely defined. But the distance you can travel in 15 minutes depends on the availability of certain modes of transport (see figure above).
Advocates of "new urbanism" have developed the tools to design 15-minute cities. They are based on three zones: the 5-minute walking zone, the 15-minute walking zone, which coincides with the 5-minute cycling zone, and finally the 15-minute cycling zone. These are not static concepts: In practice, the zones overlap and complement each other.

The 5-minute walking zone

This zone corresponds to the way in which most residential neighbourhoods functioned up until the 1960s, wherever you are in the world. Imagine a space with an average distance from the center to the edge of about 400 meters. In the center you will find a limited number of shops, a (small) supermarket, one or more cafes and a restaurant. The number of residents will vary between two and three thousand. Density will decrease from the centre and the main streets outwards. Green spaces, including a small neighbourhood park, will be distributed throughout the neighbourhood, as will workshops and offices.
In the case of new construction, it is essential that pedestrian areas have a dense network of paths without crossings at ground level with streets where car traffic is allowed. Some paths are wider and allow cycling within the 5- and 15-minute cycle zones. The streets provide access to concentrated parking facilities.

The 5-minute cycle zone and the 15-minute walking zone.

Here the distance from the center to the edge is about one kilometer. In this area, most of the facilities that residents need is available and can be distributed around the centers of the 5-minute walking zones. For example, a slightly larger supermarket may be located between two 5-minute walking zones. This zone will also contain one or more larger parks and some larger concentrations of employment.
This zone can be a large district of a city, but it can also be a small municipality or district of around 15 to 25,000 inhabitants. With such a population there will be little room for dogmatic design, especially when it comes to existing buildings. But even then, it is possible to separate traffic types by keeping cars off many streets and clustering car parks. The bottom line is that all destinations in this zone can be reached quickly by walking and cycling, and that car routes can be crossed safely.
The car will be used (occasionally) for several destinations. For example, for large shopping trips to the supermarket.

The 15-minute cycle zone.

This zone will be home to 100.00 or more residents. The large variation is due to the (accidental) presence of facilities for a larger catchment area, such as an industrial estate, a furniture boulevard or an IKEA, a university or a (regional) hospital. It is certainly not a sum of comparable 5-minute cycle zones. Nevertheless, the aim is to distribute functions over the whole area on as small a scale as possible. In practice, this zone is also crossed by several roads for car traffic. The network of cycle paths provides the most direct links between the 5-minute cycle zones and the wider area.
 
The main urban development objectives for this zone are good accessibility to urban facilities by public transport from all neighbourhoods, the prohibition of hypermarkets and a certain distribution of central functions throughout the area: Residents should be able to go out and have fun in a few places and not just in a central part of the city.
 
Below you can link to my free downloadable e-book: 25 Building blocks to create better streets, neighborhoods and cities.

Herman van den Bosch's picture #Mobility
Herman van den Bosch, professor in management development , posted

The 15-minute city: from vague memory to future reality (1/7)

Featured image

Without changing the transport system in which they operate, the advent of autonomous cars will not significantly improve the quality of life in our cities. This has been discussed in previous contributions. This change includes prioritizing investment in developing high-quality public transport and autonomous minibuses to cover the first and last mile.
 
However, this is not enough by itself. The need to reduce the distances we travel daily also applies to transporting raw materials and food around the world. This is the subject of a new series of blog posts, and probably the last.
Over the next few weeks I will be discussing the sustainability of the need for people and goods to travel long distances. In many cities, the corona pandemic has been a boost to this idea. Paris is used as an example. But what applies to Paris applies to every city.
 
When Anne Hidalgo took office as the newly elected mayor in 2016, her first actions were to close the motorway over the Seine quay and build kilometres of cycle paths. Initially, these actions were motivated by environmental concerns. Apparently, there was enough support for these plans to ensure her re-election in 2020. She had understood that measures to limit car traffic would not be enough. That is why she campaigned on the idea of "La Ville du Quart d'Heure", the 15-minute city, also known as the "complete neighbourhood". In essence, the idea is to provide citizens with almost all of their daily needs - employment, housing, amenities, schools, care and recreation - within a 15-minute walk or bike ride of their homes. The idea appealed. The idea of keeping people in their cars was replaced by the more sympathetic, empirical idea of making them redundant.
 
During pandemics, lockdowns prevent people from leaving their homes or travelling more than one kilometer. For the daily journey to work or school, the tele-works took their place, and the number of (temporary) "pistes á cycler" quickly increased. For many Parisians, the rediscovery of their own neighbourhood was a revelation. They looked up to the parks every day, the neighbourhood shops had more customers, commuters suddenly had much more time and, despite all the worries, the pandemic was in a revival of "village" coziness.
 
A revival, indeed, because until the 1960s, most of the inhabitants of the countries of Europe, the United States, Canada and Australia did not know that everything they needed on a daily basis was available within walking or cycling distance. It was against this backdrop that the idea of the 15-minute city gained ground in Paris.
 
We talk about a 15-minute city when neighbourhoods have the following characteristics
- a mix of housing for people of different ages and backgrounds - pedestrians and cyclists
- Pedestrians and cyclists, especially children, can safely use car-free streets.
- Shops within walking distance (up to 400 meters) for all daily needs
- The same goes for a medical center and a primary school.
- There are excellent public transport links;
- Parking is available on the outskirts of the neighbourhood.
- Several businesses and workshops are located in each neighbourhood.
- Neighbourhoods offer different types of meeting places, from parks to cafes and restaurants.
- There are many green and leafy streets in a neighbourhood.
- The population is large enough to support these facilities.
- Citizens have a degree of self-management.
 
Urban planners have rarely lost sight of these ideas. In many cities, the pandemic has made these vague memories accessible goals, even if they are far from reality.
 
In the next post, I will reflect on how the idea of the 15-minute city is moving from dream to reality.

Below you can link to my free downloadable e-book: 25 Building blocks to create better streets, neighborhoods and cities

Herman van den Bosch's picture #Citizens&Living
Herman van den Bosch, professor in management development , posted

When will robotaxi’s become commonplace? (8/8)

Featured image

Until recently, optimists would say "in a few years." Nobody believes that anymore, except for Egon Musk. The number of - so far small - incidents involving robot taxis is increasing to such an extent that the cities where these taxis operate on a modest scale, San Francisco in particular, want to take action.

Europe vs USA

In any case, it will take a long time before robotaxis are commonplace in Europe. There are two major differences between the US and Europe when it comes to transportation policy.
In the US, each state can individually determine when autonomous vehicles can hit the road. In Europe, on the other hand, a General Safety Regulation has been in force since June 2022 that applies to all countries. This states, among other things, that a driver must maintain control of the vehicle at all times. Strict conditions apply to vehicles without a driver: separate lanes, short routes on traffic-calmed parts of the public road and always with a 'safety driver' on board.
The second difference is that in the US 45% of all residents do not have public transport available. In Europe you can get almost anywhere by public transport, although the frequency is low in remote areas. Governments say they want to further increase accessibility by public transport, even if this is at the expense of car traffic. To this end, they want an integrated transport policy, a word that is virtually unknown in the US.

Integrated transport policy

In essence, integrated transport policy is the offering of a series of transport options that together result in (1) the most efficient, safe and convenient satisfaction of transport needs, (2) reduction of the need to travel over long distances (including via the '15- minutes city') and (3)  minimal adverse effects on the environment and the quality of life, especially in the large cities. In other words, transport is part of policy aimed at improving the quality of the living environment.
Integrated transport policy assesses the role of vehicle automation in terms of their contribution to these objectives. A distinction can be made between the automation of passenger cars (SAE level 1-3) and driverless vehicles (SEA level 4-5).

Automation of passenger cars

Systems such as automatic lane changes, monitoring distance and speed, and monitoring the behavior of other road users are seen as contributing to road safety. However, the driver always remains responsible and must therefore be able to take over steering at any time, even if the car does not emit a (disengagement) signal. Eyes on the road and hands on the wheel.

Driverless cars

'Hail-riding' will result in growth of traffic in cities because the number of car kilometers per user increases significantly, at the expense of walking, cycling, public transport and to a much lesser extent the use of private cars. Sofar, the number of people who switch from their own car to 'hail-riding' is minimal. The only way to reverse this trend is to impose heavy taxes on car kilometers in urban areas. On the other hand, the use of robot shuttles is beneficial in low-traffic areas and on routes from residential areas to a station. Shuttles are also an excellent way to reduce car use locally. For example, in the extensive Terhills resort in Genk, Belgium, where people leave their cars in the parking lot and transfer to autonomous shuttles that connect the various destinations on the site with high frequency.
 
A few months ago (April 2023), I read that Qbus in the Netherlands wants to experiment with 18-meter-long autonomous buses, for the time being accompanied by a 'safety driver'. Routes on bus lanes outside the busiest parts of the city are being considered. Autonomous metros and trains have been running in various cities, including London, for years. It is this incremental approach that we will need in the coming years instead of dreaming about getting into an autonomous car, where a made bed awaits us and we wakes us rested 1000 kilometers away. Instead of overcrowded roads with moving beds, we are better off with a comfortable and well-functioning European network of fast (sleeper) trains on a more modern rail infrastructure and efficient and convenient pre- and post-transport.

Herman van den Bosch's picture #Mobility
Jonas da Silva, Professor and Researcher , posted

New article "Guidelines for a participatory Smart City model to address Amazon’s urban environmental problems"

Dear Amsterdam Smart City Managers and Members,

As a member of your digital platform, I would like to sincerely thank you for the insightful emails and contents you provide to members like myself throughout the year.

I am delighted to share with you my latest published article, "Guidelines for a participatory Smart City model to address Amazon’s urban environmental problems," featured in the December 12, 2023 issue of PeerJ Computer Science.
The article can be fully accessed and cited at:
da Silva JG. 2023. Guidelines for a participatory Smart City model to address Amazon’s urban environmental problems. PeerJ Computer Science 9:e1694 https://doi.org/10.7717/peerj-cs.1694

I welcome you to read my publication and share it with fellow members who may find the digital solutions for the Amazon region useful. Please let me know if you have any feedback or ideas to advance this work.

Sincerely (敬具)
Prof. Jonas Gomes ( 博士ジョナス・ゴメス)
www.jgsilva.org
UFAM/FT Industrial Engineering Department (Manaus-Amazon-Brazil)
The University of Manchester/MIOIR/SCI/AMBS Research Visitor 2020/2023

Jonas da Silva's picture #DigitalCity
Paul Strijp, Sectormanager , posted

Negen tips om veilig en bewust het AI-tijdperk in te gaan

Featured image

‘Digital transformation requires a governmental transformation’. Deze boodschap resoneerde op het recente Gartner IT-congres in Barcelona. Waarin zit die digitale transformatie? In de definitieve doorbraak van Artificial Intelligence (AI). Elke overheidsorganisatie moet ermee aan de slag, AI is niet langer ‘iets van Europa’. In dit artikel negen tips.

Op 2 november 2023 werd Max Welling, een autoriteit op het terrein van kunstmatige intelligentie, geïnterviewd in het FD. De kop van het artikel loog er niet om: ‘AI streeft mens voorbij qua intelligentie’. Een dag later luidde het hoofdredactioneel commentaar van NRC: ‘Omgang met AI zal toekomst extreem beïnvloeden.’ Om drie dagen later in NRC te lezen dat één van de prominentste AI-experts ter wereld, Stuart Russell, overheden nog twaalf maanden geeft. Als zij zich dan niet gewapend hebben tegen AI, dan dreigt het totale verlies aan controle over onze financiële systemen.

De hype voorbij

De moraal van deze artikelen? We zijn de hype voorbij. Of we nu willen of niet, AI is here to stay. We voelen inmiddels aan den lijve dat AI een, zoals de WRR het noemde, ‘systeemtechnologie’ is. Een technologie die maar eens in de honderd jaar voorkomt en dan de hele wereld op zijn kop zet. En juist deze gedachte verlamt. Oók overheden. Daarin schuilt een groot risico.

AI is groot en ongrijpbaar. En is daarmee voor veel overheden een ver-van-mijn-bed-show. Zij vragen zich af: wat nu? Desinformatie, deep-fakes, vergroting van de ongelijkheid, de grip op de grote tech-bedrijven, het vervalsen van de verkiezingen, het namaken van stemmen: dat is toch allemaal iets voor Europa? Jazeker, gelukkig hebben we de Europese Commissie met haar AI-Act. En gelukkig zijn sommige handhavingsorganisaties zoals de politie, een aantal grote gemeenten, de waterschappen en een handjevol provincies ook actief. Maar de overgrote meerderheid van overheidsorganisaties staat erbij en kijkt ernaar. Deze groep kent een collectieve handelingsverlegenheid. Deze moet omgezet worden in een positieve houding.

Negen tips

Daarom hierbij negen tips. Niet om een filosofische discussie te starten over de toekomst van de mensheid. Maar gewoon praktisch. Voor overheidsorganisaties die zich het hoofd buigen over de vraag wat ze met AI ‘moeten’. Of die zich dat hoofd niet buigen, maar gewoon wakker geschud moeten worden.

TIP 1: ZORG DAT UW VERDEDIGING OP ORDE IS
Misschien overbodig maar toch: zorg dat uw beveiliging op orde is. Bedenk daarbij dat technologieën zelden alléén komen. We hebben het over AI, maar op dit moment klopt ook de kwantumtechnologie al aan de poort. Naar verwachting zijn kwantumcomputers over vijf tot tien jaar in voldoende mate beschikbaar. Zij zorgen voor een ongekende vergroting van de rekenkracht. En zijn dan in staat tot het kraken van veel encryptietechnologie die nu beschikbaar is.

TIP 2: VERMIJD HET ‘TECHNOLOGIE ZOEKT PROBLEEM’-SYNDROOM
Moet u nu in één keer voor 100 procent op AI overstappen? Door voor al uw maatschappelijke opgaven alle heil in AI te zoeken? Nee, dat moet u vooral niet doen. Daar zijn twee redenen voor. In de eerste plaats omdat niet alle overheidsorganisaties daarvoor de noodzakelijke datapositie innemen. Voor toepassing van AI moet je over grote hoeveelheden data beschikken die ook nog eens van voldoende kwaliteit is. Maar zelfs als u wel aan die voorwaarde zou voldoen, dan nog zou zo’n 100 procent draai niet wenselijk zijn. U moet vooral die datatechnologieën inzetten die uw maatschappelijke opgaven verder brengen. Dat kunnen in voorkomende gevallen ook klassieke monitoringstechnieken zijn. Beetje saai misschien, maar vele malen verstandiger dan dat u krampachtig op zoek gaat naar een probleem dat zich leent voor AI. Blijf dus redeneren vanuit de opgaven, niet vanuit de technologie.

TIP 3: JE KUNT ALLÉÉN VERANDEREN IN EN MET JE OMGEVING
Maar als u dan toch met AI aan de slag gaat: houd dan vooral uw externe omgeving in de gaten. Deze verandert namelijk óók onder invloed van AI. En u heeft die omgeving nodig! Waarom? Omdat u alléén kunt veranderen in en met de context. Een context-loze veranderstrategie bestaat niet. De veranderingen die AI in gang zet, zijn zogezegd eco-systemisch. Welke impact heeft AI op bijvoorbeeld de energietransitie, de mobiliteit en de landbouw? En wat betekent dat voor de rol en werkwijze van overheden? Veel van die veranderingen zijn nu nog nauwelijks voor te stellen. Een scenario-aanpak met veel ruimte voor verbeelding, in koepel- dan wel interbestuurlijk verband, ligt hier voor de hand.

TIP 4: DENK NA OVER DE GEVOLGEN VAN AI VOOR DE WERKGELEGENHEID DIE U TE BIEDEN HEEFT
Er wordt al vele decennia gespeculeerd over de impact van technologie op de werkgelegenheid. Staat ons een toekomst te wachten waarin we ons allemaal vervelen? Russell sluit dat scenario niet uit. ‘Uiteindelijk kan, verwacht ik, AI alles wat wij mensen nu kunnen.’ Dit zwarte scenario ontslaat overheden niet van de verantwoordelijkheid om nu in actie te komen. Door vanuit haar rol als goed werkgever de consequenties voor diezelfde werkgelegenheid te doordenken. Deze exercitie hebben we tot dusver altijd voor ons uit geschoven. Dat kan nu niet langer. Bij wijze van vingeroefening kan de suggestie van Brynjollfson, geopperd tijdens het genoemde Gartner Congres, opgepakt worden. Splits alle functies uit naar taken. En bekijk per taak waar AI waarde kan toevoegen. Dat geeft een eerste beeld van de taken die zullen verdwijnen. Misschien valt een groot verlies aan overheidsbanen op enig moment niet te voorkomen. Maar het zou een bloody shame zijn als overheden zo’n verlies zou ‘overkomen’.

TIP 5: GA UW MEDEWERKERS OM-, HER- EN BIJSCHOLEN
Nadat u zich dat eerste beeld van de werkgelegenheidsconsequenties heeft gevormd, ligt meteen een nieuwe opdracht op tafel. Dat is de noodzaak om uw mensen te gaan om-, her- en bijscholen. Dat is natuurlijk razend ingewikkeld. Want welke functies hebben straks nog toegevoegde waarde als AI uiteindelijk alle werk kan overnemen? Wie moet dan nog waarvoor worden omgeschoold? Maar zo ver is het nog niet, als dit scenario überhaupt al ooit bewaarheid wordt. Dat neemt niet weg dat banenverlies dreigt voor zowel de administratieve als adviserende functies. Voor de administratieve functies is dat niet zo’n verrassing. Er wordt al langer rekening mee gehouden dat die op enig moment verdwijnen. Maar de snelle opkomst van de taalmodellen heeft nu ook de beleidswereld wakker geschud. Zijn beleidsadviseurs nog wel zeker van hun baan als je ziet wat ChatGPT nu al vermag? Wat kunnen de taalmodellen over vijf jaar wel niet allemaal? Dezelfde Brynjolffson had daar wel ideeën over. Het gebruik van taalmodellen vereist dat we nieuwe vragen leren stellen. En ons op die manier op een intelligente manier tot de computer verhouden. Met andere woorden: beleidsmedewerkers moeten worden geprikkeld om niet slaafs te volgen wat de computer uitspuugt.

TIP 6: EXPERIMENTEER
De afgelopen maanden heeft menigeen al geëxperimenteerd met ChatGPT. De koudwatervrees lijkt kleiner dan verwacht, de nodige ambtenaren doen er al ervaring mee op. Overheden doen er goed aan om deze experimenten vrijmoedig te stimuleren. Zoals de provincie Noord-Brabant doet met Sammie: een digitale assistent die medewerkers ondersteunt bij het stikstofvraagstuk. Sammie wordt getraind op de eigen stikstofdata. En Sammie vermeldt ook welke regels en data aan zijn antwoorden ten grondslag liggen.

TIP 7: STEL ETHISCHE KADERS VAST
Het gebruik van AI heeft ook keerzijden. Zo heeft de Interprovinciale Ethische Commissie onlangs een uitstekend advies uitgebracht uitgebracht over het gebruik van ChatGPT. Daarbij wees de commissie bijvoorbeeld op het belang van duurzaamheid. AI slurpt grote hoeveelheden energie. Vroeg of laat zal elke organisatie moeten aangeven waar voor haar de grenzen liggen. Dat type afwegingen kan niet aan individuele medewerkers overgelaten worden. Experimenteren is dus mooi, maar moet op enig moment stollen in ethische kaders. Het is aan besturen om deze vast te stellen.

TIP 8: ARTIFICIAL INTELLIGENCE MOET AAN TAFEL IN HET KABINET, COLLEGES EN DIRECTIES
‘Ik kan me voorstellen dat AI een zetel krijgt in de raad van bestuur van bedrijven. Om vragen aan te stellen, om advies van te krijgen.’ Een suggestie van Max Welling. Deze suggestie is uiteraard niet voorbehouden aan het bedrijfsleven. Waarom kan AI geen zetel krijgen in de ministerraad? En bij colleges, besturen en directies van waterschappen, gemeenten en provincies? De secretaris van deze organen kan ervoor zorgen dat de computer bij elk punt van de agenda advies geeft. Wat een symboliek zou hiervan uitgaan!

TIP 9: WEEG AF OF U WEL DE AI-APPLICATIES VAN EEN GROTE AANBIEDER WILT
Ook als u zelf geen datascientists in dienst heeft die actief met AI aan de slag gaan, komt AI bij elke overheidsorganisatie binnen. Via de veelheid aan tools en applicaties. Zo heeft Microsoft aangegeven dat al haar toekomstige diensten op AI gebaseerd zullen zijn. Te beginnen over een paar jaar met Copilot. Een softwareprogramma dat lange mails kan samenvatten. En desgewenst het antwoord op een binnenkomende mail kan dichten. Bedenk dat u de software van de grote tech-bedrijven niet hoeft te gebruiken. Weeg dat af! Als u de afhankelijkheid van grote aanbieders wilt verminderen, dan kunt u zich oriënteren op alternatieven. Zoals die van de Public Spaces en de Pub Hubs van José van Dijck. Of de op open source gerichte benaderingen.

Tot slot: Transformeer tot in de wortel!

Weleens van het Latijnse woord radix gehoord? Radix betekent wortel. Radicaal is daarvan afgeleid en staat voor ‘tot in de wortel’. Overheden moeten zich openstellen voor een radicaal veranderingsproces. Een transitie zogezegd. Waarom? Omdat de omgeving van overheden inmiddels al vergaand digitaal getransformeerd is. De legitimatie, het bestaansrecht van overheden blijft alléén overeind als zij zelf de vorm van die omgeving aannemen. Dat wil zeggen: als zij zelf ook transformeren. We moeten af van het frame dat we ons verhouden tot AI of, beter, dat we AI adopteren. Neen, we zullen bij het herontwerp van de overheid uit moeten gaan van de enkelvoudige logica van AI en data. In termen van de Wetenschappelijke Raad voor het Regeringsbeleid (WRR): overheden zullen een op publieke waarden gebaseerde AI-identiteit moeten aannemen. Met een daarbij horende AI-wijsheid. Daarin is de dialoog met de samenleving essentieel. Die wijsheid is de bron voor de maatschappelijke meerwaarde.

*Dit artikel is geschreven door Jan van Ginkel (Concerndirecteur provincie Zuid-Holland) en Paul Strijp (Adviseur provincie Noord-Holland) en gepubliceerd op iBestuur.

Beeld: Shutterstock, AI gegenereerd*

Paul Strijp's picture #DigitalCity
Herman van den Bosch, professor in management development , posted

Automated cars; an uncertain future (7/8)

Featured image

 
The photograph above is misleading. Reading a book instead of watching the road is not allowed in any country, unless the car is parked.
 
For more than a decade, car manufacturers have been working on technology to take over driver's actions. A Lot  of money has been invested in this short period and many optimistic expectations have been raised, but no large-scale implementation of the higher SAE levels resulted so far. Commercial services with robotaxi’s are scarce and still experimental.  

The changing tide

Especially in the period 2015 - 2018, the CEOs of the companies involved cheered about the prospects; soon after, sentiment changed. In November 2018, Waymo CEO John Krafcik said that the spread of autonomous cars is still decades away and that driving under poor circumstances and in overcrowded cities will always require a human driver. Volkswagen's CEO said fully self-driving cars "may never" hit public roads.
The companies involved are therefore increasingly concerned about the return on the $100 billion invested in the development of car automation until the end of 2021. The end of the development process is not yet in sight. Much has been achieved, but the last 20% of the journey to the fully autonomous car will require the most effort and much more investment. Current technology is difficult to perfect. “Creating self-driving robotaxi is harder than putting a man on the moon,” said Jim Farley, CEO of Ford, after terminating Argo, the joint venture with Volkswagen, after the company had invested $100 million in it.
 
The human brain can assess complex situations on the road much better than any machine. Artificial intelligence is much faster, but its accuracy and adaptability still leave much to be desired. Driverless cars struggle with unpredictability caused by children, pedestrians, cyclists, and other human-driven cars as well as with potholes, detours, worn markings, snow, rain, fog, darkness and so on. This is also the opinion of Gabriel Seiberth, CEO of the German computer company Accenture, and he advises the automotive industry to focus on what is possible. Carlo van de Weijer, director of Artificial Intelligence at TU Eindhoven, agrees: “There will not be a car that completely takes over all our tasks.”
Elon Musk, on the other hand, predicted that by 2020 all Tesla’s will have SEA level 5 thanks to the new Full Self Driving Chip. In 2023 we know that its performance is indeed impressive. Tesla may therefore be the first car to be accredited at SAE level 3. That is not yet SAE level 5. The question is whether Elon Musk minds that much!  

The priorities of the automotive industry

For established automotive companies, the priority is to sell as many cars as possible and not to make a driver redundant. The main objective is therefore to achieve SAE levels 2 and possibly 3. The built-in functions such as automatic lane changing, keeping distance, and passing will contribute to the safe use of cars, if drivers learn to use them properly. Research shows that drivers are willing to pay an average of around $2,500 for these amenities. That is different from the $15,000 that the beta version of Tesla's Full Self Driving system costs.
The automotive industry is in a phase of adjusting expectations, temporizing investments, downsizing involved business units, and looking for partnerships. GM and Honda are collaborating on battery development; BMW, Volkswagen and Daimler are in talks to share R&D efforts for autonomous vehicles; and Ford and VW have stopped developing an autonomous car and are working together on more realistic ambitions.  

Safety issues at SAE level 3

But even with a focus on SAE level 3, the problems do not go away. The biggest safety problem may well lie at this level. Elon Musk has suggested for years that Tesla's autopilot would allow drivers to read a book or watch a movie. All they must do is stay behind the wheel. They must be able to take control of the car if the automatic system indicates that it can no longer handle the situation. Studies in test environments show that in this case the reaction time of drivers is far too long to prevent disaster. An eye on the road and a hand on the wheel is still mandatory everywhere in the world, except in  few paces for cars accredited at SEA level 4 under specified conditions.
The assumption is that the operating system is so accurate that it indicates in time that it considers the situation too complex. But there are still many doubts as to whether these systems themselves are sufficiently capable of properly assessing the situation on the road at all times. Recent research from King's College London showed that pedestrian detection systems are 20% more accurate when dealing with white adults than when dealing with children and 7.5% more accurate when dealing with white people compared to people with dark skin.
In the next post I will go into more detail about the legislation and what the future may bring.

You still can download for free my newest e-book '25 building blocks to create better streets, neighborhoods and cities' by following the link below

Herman van den Bosch's picture #Mobility